Schijnzelfstandigheid ZZP’er
De 5 grootste juridische misverstanden over schijnzelfstandigheid
Een zzp’er inhuren lijkt eenvoudig. U spreekt een tarief af, legt vast dat iemand als zelfstandige werkt en ontvangt iedere maand een factuur.
Maar juridisch is dat niet beslissend.
Bij de vraag of iemand werkelijk als zelfstandige werkt, wordt vooral gekeken naar hoe de samenwerking in de praktijk is ingericht. Daardoor kan een arbeidsrelatie die jarenlang als zzp-opdracht is behandeld, achteraf toch anders worden beoordeeld.
Dit zijn vijf misverstanden die daarbij regelmatig een rol spelen.

Misverstand 1 — “We hebben een zzp-overeenkomst, dus hij is geen werknemer.”
De naam boven het contract bepaalt niet wat de arbeidsrelatie juridisch is. Ook een keurig opgestelde overeenkomst van opdracht kan in de praktijk kenmerken van een arbeidsovereenkomst hebben. Wat partijen hebben opgeschreven is relevant, maar wat zij daadwerkelijk doen kan uiteindelijk veel zwaarder wegen.

Misverstand 2 — “Hij stuurt facturen en heeft een KvK-nummer, dus hij is ondernemer.”
Een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een btw-nummer en maandelijkse facturen zijn aanwijzingen voor ondernemerschap, maar geven geen zekerheid. De manier waarop iemand binnen uw onderneming werkt is minstens zo belangrijk.

Misverstand 3 — “Als de zzp’er zelf ook zelfstandige wil zijn, kan er geen probleem ontstaan.”
Ook dat is geen garantie. Werkgever en zzp’er kunnen allebei overtuigd zijn van hun keuze voor zelfstandigheid en tóch in een arbeidsrelatie terechtkomen die juridisch als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt. De bedoeling van partijen alleen beslist de zaak niet.

Misverstand 4 — “Een hoog uurtarief betekent dat iemand zelfstandige is.”
Een hoog tarief kan meewegen, maar maakt iemand niet automatisch ondernemer. Ook iemand die uitstekend wordt betaald kan sterk zijn ingebed in de organisatie, weinig ondernemersrisico lopen en feitelijk op dezelfde manier werken als werknemers.

Misverstand 5 — “Zolang de Belastingdienst niets zegt, zit ik goed.”
Dit is misschien het gevaarlijkste misverstand. Het probleem kan pas zichtbaar worden wanneer de samenwerking al jaren bestaat. Bovendien speelt schijnzelfstandigheid niet alleen fiscaal. Ook arbeidsrechtelijk kan de kwalificatie gevolgen hebben, bijvoorbeeld voor loon, vakantiegeld, vakantiedagen, ontslagbescherming en mogelijk pensioen.
Wat leert de rechtspraak ons eigenlijk?
Er bestaat niet één eenvoudige test waarmee u vooraf met zekerheid kunt vaststellen: dit is een zzp’er.
Rechters kijken naar het geheel.
Hoe wordt het werk uitgevoerd? Hoeveel vrijheid heeft de werkende werkelijk? Is hij onderdeel geworden van de organisatie? Loopt hij ondernemersrisico? Kan hij zich als ondernemer gedragen? En hoe verhoudt deze samenwerking zich tot de rest van het bedrijf?
Dat maakt schijnzelfstandigheid juist zo verraderlijk.
Het contract vertelt wat u heeft afgesproken. De dagelijkse praktijk vertelt wat u werkelijk heeft georganiseerd.
En juist dat laatste kan uiteindelijk doorslaggevend zijn.

